De titel van het boek geeft meteen de essentie ervan weer: de tragiek van wie na een hersenbloeding niet meer normaal kan praten. De auteur werpt zich niet op als deskundige maar in de loop van het verhaal over de afasie-patient die thuis komt en daar opgevangen moet worden, worden allerlei verschillende aspecten van het verschijnsel afasie aangeroerd en via levende personen aanschouwelijk en (voor zover mogelijk) invoelbaar gemaakt. Door een logopedist in te voeren wordt op onnadrukkelijke wijze ook kritiek geleverd op de geringe aandacht die van medische zijde bestaat voor de spraakrevalidatie. Of dit overal zo is betwijfel ik, maar kennelijk is het wel de ervaring van de auteur. Het boek lijkt mij vooral van waarde voor familieleden en partners van door afasie gehandicapten. Er wordt geen valse hoop gewekt, er wordt ook niet gesuggereerd dat de partner een held(in) moet zijn om vol te kunnen houden. Wel wordt duidelijk dat de instelling en de daadwerkelijke steun van de omgeving van het allerhoogste belang zijn, en dat de last die vooral de levenspartner te dragen krijgt iets lichter kan worden door contact met lotgenoten.
(NBD|Biblion recensie, E.H. Versteegh-Vermeij.)